Gisteren ben ik geheel vrijwillig naar een bioscoopfilm met Leonardo Dicaprio geweest. Dat zal menigeen misschien niet verbazen maar voor mij is dat heel bijzonder. Het laatste decennium probeerde ik films met Leonardo in de hoofdrol zoveel mogelijk te vermijden.
In mijn tienerjaren lag dit anders. Toen was ik heimelijk – want ik deed een weinig overtuigende poging om heteroseksueel te zijn – verliefd op Leo, zoals geobsedeerde fans hem liefkozend noemen. Leonardo was mijn ideale man met zijn prachtige sluike haar dat steevast voor één van zijn diepblauwe ogen hing. Dat jongensachtige kapsel heb ik zelfs gekopieerd. Urenlang stond ik voor de spiegel mijn haar te modelleren om een lok te creëren die schijnbaar spontaan voor mijn oog was gevallen. Omdat zo’n vettige haarlok niet goed combineert met een bril was die look voor mij geen succes.
Het experiment met mijn kapsel was net zo kortstondig als mijn voorliefde voor films met DiCaprio. Na een prachtige vertolking van een verstandelijk gehandicapte in What’s Eating Gilbert Grape, stapte hij over om helden te spelen in van die vergezochte actiefilms waarin Hollywood grossiert. Het spelen van een ongeloofwaardige held gaat DiCaprio goed af, dat moet ik toegeven.
Gedurende zo’n actiefilm gebruikt hij het hele palet van gezichtsuitdrukkingen van een amoebe (nu ben ik niet thuis in de wereld van de biologie maar ik stel me voor dat je met één cel niet bijster veel variatie kunt aanbrengen om je uit te drukken). Wanneer Leonardo de held speelt gebruikt hij slechts twee gezichtsuitdrukkingen. Een redelijk lege blik waarmee hij doelloos voor zich uit staart (die zet hij vooral op tijdens de dialogen). Of een getormenteerde blik met veel gefrons alsof hij op het toilet zit om te poepen terwijl hij lichtelijk geconstipeerd is (die gelaatsuitdrukking zie je het meeste in de film wanneer hij iets lastigs aan het doen is zoals op lange afstand figuranten doodschieten).
Die getormenteerde blik die ik zojuist beschreef had ik op mijn gezicht toen ik gisteren naar de film Inception ging waarin Leonardo DiCaprio meespeelt. Het is de nieuwe film van Christopher Nolan, de maker van mijn meest favoriete film ooit: Memento (een film met verknipte tijdlijnen waardoor je na de film urenlang kunt puzzelen om het plot te begrijpen). Achteraf ben ik blij dat ik Inception met lichte tegenzin ben gaan kijken. Leonardo DiCaprio blijkt namelijk niet talentloos genoeg te zijn om een film met goed script en mooie special effects te verpesten.
Persoonlijk ben ik er dolblij mee dat de klassieke muziekstukken van een half uur veel bombarie met trompetgeschal, zijn doorgeëvolueerd in popliedjes van drie en een halve minuut. Of Mozart en Beethoven het zo bedoeld hebben, betwijfel ik maar het komt de herkenbaarheid en meezingbaarheid van de muziek ten goede.
Dat ik geen voorliefde voor de klassieke muziek heb meegekregen dat ligt aan mijn opvoeding. Mijn zussen en ik zijn opgevoed met muziek van Cuby and the Blizzards. Net als Bach is dat hopeloos ouderwets maar rammelende bluesmuziek in steenkolenengels is nauwelijks klassiek te noemen.
Voordat mijn vader alsnog de kinderbescherming op zijn dak krijgt: hij heeft ooit ’n halfslachtige poging gedaan om ons kennis te laten maken met klassieke muziek. Hij deed dat door ons mee te nemen naar een voorstelling van de Phantom of the Opera. Zo’n massaproductiemusical die drie keer daags in het Circustheater in Scheveningen werd opgevoerd. Vermoedelijk leek hem dat opvoedkundig en cultureel wel verantwoord.
Het kaartje voor de musical kregen wij collectief cadeau voor onze veertiende verjaardag. ‘Een kaartje van een musical met Ben Cramer in de hoofdrol’ stond op geen van onze verlanglijstjes. De echte reden was dat mijn vader zelf graag een volledig orkest live wilde horen spelen. Geheel volgens de gedragsvoorschriften van het puberdom hadden mijn zussen en ik op voorhand al besloten dat wij er niets aan vonden.
Het blijft toch aan je knagen als je zo’n ongevraagd en ongewenst verjaardagscadeau krijgt. Daarom ben ik als volwassene blijven roepen dat klassieke muziek bedoeld is voor mensen die zich te goed voelen voor popmuziek. Je blijft lekker jong door dat soort ongefundeerde en puberale meningen. Dus ik twijfelde sterk toen ik vorig jaar een uitnodiging kreeg om een concert van het Radio Philharmonisch Orkest bij te wonen. Maar mijn nieuwsgierigheid over hoe je zo’n driehoekig roestvrijstalen ding aan een touwtje nou vakkundig bespeelt, won uiteindelijk.
Een maand later zat ik alweer in het concertgebouw. Ik had mijn vader, niet eens uit wraak, een concertkaartje cadeau gegeven voor zijn verjaardag. Het Metropool Orkest speelde filmmuziek van de componist Ennio Morricone uit mijn vader’s favoriete film ‘Once Upon A Time In The West’. Tijdens het concert stonden de tranen in mijn ogen van ontroering. Mijn vader en ik vonden het beiden prachtig.
Als ik nu ook nog van mijn Ben-Cramer-fobie weet af te komen, dan heb ik al mijn jeugdtrauma’s eindelijk verwerkt.
Voor de liefhebbers van een blockbuster met geloofwaardige beelden en een volkomen ongeloofwaardig verhaal, draait nu de film 2012 in de bioscoop. Wat ik mij na het zien van 2012 afvraag is waarom de makers moeite doen om een verhaallijn in zo’n film te stoppen. Niemand kijkt een rampenfilm om mee te leven met de personages. Er wordt alleen nagepraat over de special effects.
De hoofdpersonen, een gebroken gezin met twee vaders, zijn op een rare manier bekend van de bijrollen. Het gezin ontsnapt, natuurlijk ternauwernood, aan het natuurgeweld met het vliegtuig van een rijke Russische magnaat. De vader kent hem omdat hij diens chauffeur was. De stiefvader heeft de borstvergroting van de magnaat’s veel te jonge vriendin uitgevoerd. Wie verzint zoiets? De verhaallijn lijkt op een schrijfoefening voor beginnende scenarioschrijvers. De opdracht was om het product luiers te verwerken in een actiefilm met een duidelijke moraal. Alleen al voor die luiers, het is een centraal onderdeel van het plot, is de film een must-see.
Zoals een Hollywood-productie betaamt bevat deze film weer een betuttelende boodschap. Dat 2012 draait om een gebroken gezin vond ik al niet passen in de bekrompen Amerikaanse maatschappij. Vooral de stiefvader is een complicerende factor. De kinderen kunnen het met hem beter vinden dan met hun eigen vader. Dat leidt natuurlijk tot haat en nijd tussen de twee mannen. Toen halverwege de film de twee mannen bevriend raakten, wist ik hoe laat het was. Eén van de twee mannen zou voor het einde van de film het loodje leggen. Dat wordt opgelost met een fraai staaltje republikeins gedachtegoed want de stiefvader sterft een gruwelijke en bloederige dood. Een waar happy end voor het traditionele gezin als hoeksteen van de samenleving dus.
Onder het ongeloofwaardige verhaal ligt nog een tweede moraal: het milieu. Sinds de gefilmde powerpointpresentatie van Al Gore heeft de filmwereld ontdekt dat het kan scoren met een groen thema. Eerdere ecorampenfilms speelden zich vooral af in 2080. ‘Dat maak ik niet meer mee,’ dacht ik dan gerustgesteld. Maar deze film speelt al in 2012 en, tenzij ik mijzelf haastig voor de trein gooi, dan leef ik waarschijnlijk nog. Op zich heel nobel om de argeloze kijker op de gevolgen van de opwarming van de aarde te wijzen. Maar misschien had de filmproducent beter het goede voorbeeld kunnen geven door geen energie te verspillen aan het maken van deze slechte film.
Voor iemand die zo lang van stof is als ik, is het onvoorstelbaar dat iemand zich in 140 tekens kan uitdrukken. Maar miljoenen mensen lukt het om via twitter de godganse dag kernachtig te vertellen wat zij aan het doen zijn. En die twitterende mensen doen heel veel dingen op één dag. Zoveel zelfs, dat ik me afvraag waar die personen de tijd vandaan halen om nog erbij te twitteren.
De meeste twitteraars lijken indruk te willen maken met hun drukke agenda, gevuld met veelbelovende zakelijke afspraken en uitnodigingen voor populaire feesten. Het ‘kijk mij nou’-gehalte op twitter is nogal groot. De berichten op twitter zijn een schijnvertoning. Nooit lees je over de schaduwkanten van het leven. Niemand twittert dat zijn pinpas is geblokkeerd na maanden rood te hebben gestaan. Of dat de deurwaarder op de stoep staat. Die berichten zou je toch verwachten in deze tijden van crisis.
Al die artiesten met een oninteressant, verwaarloosd weblog zitten nu op twitter. Paul de Leeuw plugt zijn televisieprogramma door via twitter te vertellen welke beroemdheden te gast zullen zijn. Madonna kondigt de release van een nieuwe single aan. Georgina Verbaan twittert over de opnamen van haar nieuwe serie Floor Faber. Twitter is het nieuwste medium om jezelf te pluggen.
Ik vind het trouwens ook verwonderlijk dat iedereen tijdens werktijd om de haverklap berichten op internet mag zetten. Misschien ben ik een modelwerknemer, of is mijn leidinggevende van de oude stempel, maar op mijn werk gaat mijn telefoontoestel uit. Bovendien krijg ik geen loon betaald om te twitteren dus gebruik ik internet op mijn werk alleen voor zakelijke doeleinden.
Vandaag heb ik bijgehouden wat ik getwitterd had, als ik zou twitteren:
‘Ik eet cup-a-soup als ontbijt omdat mijn bloeddruk weer te laag is.’
‘Telkens als ik nodig moet, zijn alle wc’s bezet.’
‘Bah, de cappucino uit de koffieautomaat is op.’
‘Ik vind dat het hete water uit de koffieautomaat zonder theezakje al voldoende kleur en smaak heeft.’
‘Ik sta in de rij bij La Place voor een broodje boerenkaas.’
‘Ik heb de was te lang in de wasmachine laten zitten, ga nu het spoelprogramma eens uitproberen.’
Ik kan mij niet voorstellen dat iemand op dit soort intieme futiliteiten van een wildvreemde zit te wachten. Dat soort dingen vertel ik niet eens aan mijn vriend. Laat staan dat ik de behoefte heb om dat met de rest van de wereld te delen.
Jarenlang heb ik lacherig gedaan over het feministisch magazine Opzij. Cisca Dresselhuys was met haar journalistieke loopbaan in mijn ogen niet een rolmodel voor carrièrevrouwen. Het uitgeven van zulke lasterpraatjes over mannen dat kon zij makkelijk combineren met de opvoeding van kinderen. Ik zag haar zo met een kladblok aan de keukentafel een artikel schrijven terwijl zij haar baby borstvoeding gaf. Zo’n ontblote borst leidt toch af van de agenda tijdens een vergadering op kantoor. En het delegeren van die moederlijke taak aan een ondergeschikte gaat nogal lastig.
Cisca’s opvattingen over het gebrek aan vrouwen aan de top vond ik goeiig. Maar ik vond het nogal rolbevestigend. Alweer een vrouw die niet het zakelijk inzicht heeft dat een multinational niet kan worden gerund door een parttimer met een werkweek van 20 uur. Ongeacht of dat dan een vrouw of een man is.
Ik heb heel erg vaak aan Cisca denken toen het televisieprogramma De Tafel van Vijf werd aangekondigd. Een serieuze talkshow dat onderwerpen vanuit een vrouwelijk perspectief behandeld. Daar word je als feministe toch vochtig van. Gelukkig heeft Cisca de leeftijd waarop zij altijd incontinentiemateriaal bij zich heeft.
Het viel zelfs mij op dat het vooral mannelijke recensenten die na de eerste uitzending commentaar hebben op de talkshow. Meest gehoorde kritiek: het programma was vooraf opgenomen en sprong dus niet in op de actualiteit. Ik vraag me af of dat werkelijk zo’n gemis is. Actualiteitrubrieken zat op televisie. Bovendien ligt het nieuws van vandaag morgen in de kattenbak.
Gisteren heb ik een aantal uitzendingen van De Tafel van Vijf gekeken. Alle vijf vrouwen gaven ieder hun uitgesproken mening. Een van de onderwerpen was iets wat ik in geen enkele andere talkshow voorbij had zien komen: het sparen van zegeltjes in de supermarkt. De vrouwen vroegen zich collectief af of je aan al die spaaracties moet meedoen. Actueel? Nee. Interessant? Ja. Ik ben ook altijd bang om een overvloedig boodschappenpakket mis te lopen. Daardoor heb ik overal in huis zegeltjes rondslingeren die nog op een spaarkaart moeten worden geplakt.
De mannelijke televisiekijker is gewoonweg nog niet klaar voor een vrouw met een mening. Een kwestie van tijd, vroeger werden alleen de voetbalwedstrijden van het mannenelftal uitgezonden. Vorige week keek een miljoenpubliek naar het Nederlands vrouwenelftal. Als het de mannen alleen om de gladgeschoren benen van de elf vrouwen te doen was dan heb ik nog een goede kijkerstip: zwoele vrouwenlippen komen echt prachtig uit tijdens het praten.
Als de huisarts mij een half jaar geleden had verteld dat ik aan H1N1 leed dan was ik me rot geschrokken. Niet dat ik had geweten wat ik dan precies onder de leden had. Maar zo’n vreemde afkorting lijkt meteen vrij ernstig.
Bij ziektes worden wel vaker vreemde naamsconstructies gebruikt. Zo heb ik er jarenlang moeite mee gehad om te onthouden dat iemand die HIV-negatief is, een gezond persoon is. Nog steeds vind ik HIV-positief een te blije naam voor een enge ziekte.
Eerder dit jaar noemden we H1N1 nog massaal de varkensgriep. Ik hield me toen bezig met existentiële levensvragen zoals ‘ben ik recentelijk nog in aanraking geweest met verkouden varkens?’. Maar de overheid heeft gezegd dat die naam niet meer mag worden gebruikt. Want dan lijdt de sector van varkenshouders imagoschade. En minder vleesverkoop dat kunnen de boeren – naast de kredietcrisis – er niet bij hebben. Nu blijf ik achter met de vraag sinds wanneer varkens een imago hebben.
Daarna noemden we het de Mexicaanse griep. Die benaming klonk al iets gezelliger. Alsof het een geneesbare geslachtsziekte was die je had opgelopen na een heftige one-night-stand met een vurige Mexicaan. Ook die benaming was schadelijk voor het toerisme waarvan Mexico zo afhankelijk was. En ik maar denken dat de Mexicaanse economie volledig draaide op de productie van cocaïne.
Inmiddels ben uitgebreid door de overheid geïnformeerd over H1N1. In elk geval heb ik geleerd hoe ik moet reageren als de huisarts H1N1 bij mij vaststelt. ‘Ah, de nieuwe influenza A,’ knik ik dan begrijpend.
Toch vraag ik me af hoe zo’n huisarts nou kan herkennen of het dé H1N1-griep is? Verschijnselen als koorts, rillingen, spierpijn en hoesten lijken best op gewone griepachtige klachten. In de folder wordt ongeveer verboden om naar het spreekuur van de huisarts te gaan vanwege het besmettingsgevaar. Het door een krakende telefoonlijn door het geluid van de droge hoest vaststellen lijkt mij een methode voor middeleeuwse kwakzalvers.
Waarom er een folder huis-aan-huis wordt verspreid over een milde griep, is mij verder niet duidelijk. ‘Nogal wiedes,’dacht ik bij het lezen van tips als ‘voorkom contact met mensen die griep hebben’ of ‘gebruik zakdoekjes bij niezen of hoesten’. Ik vond ‘maak regelmatig schoon’ niet een echt griepgerelateerde tip. Dat lijkt me meer handig bij het voorkomen van ongedierte, zoals kakkerlakken. Dan had een folder over het herkennen van verkouden varkens mij toch een stuk interessanter geleken.
Omdat ik met mijn vlassige stoppelbaardje toch nooit de uitstraling krijg van een stoere macho, kom ik maar meteen openlijk uit voor mijn onmannelijke interesse: ik ben fan van de televisieserie Sex and the City. Zelfs de zoveelste herhalingen van alle afleveringen die op televisie worden uitgezonden, volg ik religieus. En dat terwijl ik diezelfde afleveringen allemaal ook op DVD heb. Van bepaalde afleveringen ken ik de dialogen, tussen Carrie, Samantha, Miranda en Charlotte, uit mijn hoofd (meestal met de intonatie waarmee de tekst wordt uitgesproken). Sterker nog, ik gebruik diverse quotes uit de serie in mijn dagelijks leven.
In mijn favoriete aflevering, ‘Pick-a-little, talk-a-little’ wordt Miranda niet gebeld door de man waarmee zij een leuke date heeft gehad. Haar vriendinnen verzinnen tientallen volstrekt absurde redenen waarom hij niet heeft gebeld. ‘Hij is gewoon te veel onder de indruk van jouw intelligentie,’ en meer van dat soort onrealistische redenaties die opeens heel plausibel kunnen lijken wanneer je gerustgesteld wilt worden. ‘Maybe he’s just not that into you,’ zegt de enige man in het gezelschap. Voor mannen is dit een waarheid als een koe, voor vrouwen is dit een eye-opener.
De schrijver van de betreffende aflevering kreeg zoveel reacties van vrouwen dat hij een zelfhulpboek schreef met de titel He’s Just Not That Into You. Een adept van Sex and the City als ik ben, heb ik dat boek natuurlijk gelezen.
De opzet van het boek is nogal voorspelbaar, het begint met een vraag van een vrouw. Dit is een beschrijving van een tamelijk hopeloze lange-afstand-relatie waarin een man tijdens telefoongesprekken haar liefje noemt en vertelt dat hij haar mist. De schrijver beantwoordt deze vraag met: het is makkelijker om te zeggen dat je iemand mist dan dat je iemand niet leuk vindt. Het boek bevat nog veel meer van dat soort vragen, met telkens hetzelfde antwoord (zie de hierboven genoemde titel).
Afgelopen voorjaar draaide de succesvolle verfilming van het zelfhulpboek in de bioscoop. Misschien dat vrouwen behoefte hebben aan duiding door het eindeloos herhalen van één zin. Ik vond na het boek dat thema al totaal uitgemolken. Sindsdien maak ik me grote zorgen over de creativiteit van de schrijvers van tweede SatC-film die dit voorjaar komt. Zolang het centrale plot van de film maar niet gaat over vier vrouwen die gezamelijk een zelfhulpboek gaan lezen. Want dan kijk ik liever naar een historische avonturenfilm gebaseerd op “Het heft in eigen handen” van dokter Wayne Dyer.
Op paulsinnema.nl publiceer ik mijn columns. De columns kunnen gaan over het heden of verleden, bevatten feiten en fictie. Het is geen dagboek. Mijn privacy is voor mij belangrijk. Alles © paulsinnema.nl
Het is mogelijk om op de columns te reageren. Ik vind dat een kritische reactie de columns interessanter en levendiger maken. Een reactie wordt vooraf door mij gemodereerd. Reacties mogen niet discriminerend zijn. Scheldwoorden of vloeken worden door mij uit een reactie verwijderd. Reacties die niets te maken hebben met de column in kwestie (zoals commerciële boodschappen) worden niet geplaatst.
Deze site draait op Pivot en wordt gehost door Pivothosting. Er is een Rssfeed en een Atomfeed beschikbaar. Contact met mij opnemen kan via de mail.
Ik lees zelf graag de weblogs van Aukje, BW14, Elswhere, Gobblefunk, I Am Zero, Kaals, Koekjesfabriek, Lief Dagboek, Maanisch, Merel Roze, Sanye, Vandenb, Verbal Jam, Wereldpeer.